Krijgsgevangenen worden onvoorwaardelijk beschermd onder de Verdragen van Genève. Deze verdragen bepalen dat zij menselijk behandeld moeten worden en nooit mogen worden mishandeld, gemarteld of vernederd.
Het kan oneerlijk voelen wanneer de tegenstander deze regels negeert. De wetenschap dat eigen militairen of bondgenoten in gevangenschap worden mishandeld of gedood, roept logischerwijs woede en wraakgevoelens op. Soms is dit zelfs een bewuste provocatie van de vijand, in de hoop dat wij de regels overtreden en onze professionaliteit te grabbel gooien.
Een van de fundamentele redenen waarom wij vechten, is júist om onze waarden te beschermen. Je verlagen tot het niveau van de vijand ondermijnt de morele en juridische basis van onze eigen inzet. Bovendien leidt dit tot ontmenselijking en afstomping, wat achteraf grote gevoelens van schuld en schaamte kan veroorzaken.
Geweld tegen een gevangene die geen bedreiging meer vormt, is onnodig en oneervol. De regels voor de behandeling van krijgsgevangenen zijn bedoeld om een minimum aan menselijkheid te behouden tijdens oorlog. Dit helpt om de discipline binnen de eenheid te bewaren en voorkomt dat militairen handelen uit wraak. Daarnaast is onze reputatie in het geding. Door het internationaal recht te respecteren, behoudt een land zijn geloofwaardigheid bij bondgenoten en de internationale gemeenschap, en behoudt het de positie om anderen op hún gedrag aan te spreken.
Het naleven van deze regels is daarom niet afhankelijk van het gedrag van de vijand, maar van de waarden die wij beschermen en de normen die horen bij een professionele krijgsmacht.
John Sawicki, CSSP, ‘Treatment of Prisoners and Detainees’ in James Turner Johnson and Eric D. Patterson (eds.), The Ashgate Research Companion to Military Ethics, (Ashgate, Farnham, 2015), p271.
Philip McEvoy, ‘Law at the Operational Level’ in David Whetham (ed.), Ethics, Law and Military Operations, (Palgrave Macmillan, Basingstoke, 2011), pp124-125.