10
10
10
10
De Grondwet (artikel 97) stelt dat de krijgsmacht er is ter verdediging en ter bescherming van de belangen van de staat, én ter handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde. Dit betekent dat inzet niet beperkt is tot puur de verdediging van het eigen grondgebied.
Het recht om internationaal geweld te gebruiken (jus ad bellum) is strikt gereguleerd: het mag alleen uit zelfverdediging tegen een gewapende aanval of met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad. Daarnaast heeft de internationale gemeenschap een verantwoordelijkheid voor de mensheid als geheel. Volgens sommigen is er een morele plicht om massale schendingen van mensenrechten te voorkomen door een humanitaire interventie.
Zolang de krijgsmacht binnen de grondwettelijke en internationaalrechtelijke kaders wordt, is het aan de regering en het parlement (de democratische controle) om te bepalen wat het nationale belang is, hoe de krijgsmacht wordt ingezet en welk type missies wordt uitgevoerd.
James Pattison, ‘Whose Responsibility to Protect? The Duties of Humanitarian Intervention’, Journal of Military Ethics, 7 (2008), p262.